Weiskinder Mestreech

Weeskinderen / Vondelingen in Maastricht

 
De Weeshuizen.

De twee Weeshuizen, beide gelegen op de Linkulestraat, werden opgericht, dat der protestanten in 1640, en dat der katholieken in 1670.
Na de Minderbroeders, in 1638, Maastricht hadden moeten verlaten, besloot de luitenant-generaal Steincalfvelt, commandant der stad, een huis op te richten, ter opname van de kinderen van zoovele soldaten, die tijdens den oorlog hun leven gelaten, of aan de bekomen wonden overleden waren.
Hij vraagde daartoe aan de Generale Staten het klooster der Minderbroeders, dat bij Besluit van 22 Augustus 1640 werd toegestaan, en werden daarin de protestantsche soldaten-weeskinderen opgenomen, onder toezicht van den prediker Lodovicus. Daar het getal dier kinderen niet zeer groot was, werd het overige gedeelte van het klooster verpacht, en leverde 600 gl. op, welke som, gevoegd bij verschillende giften, de eerste inkomsten van het huis uitmaakte.
Het volgende jaar werd aan den Magistraat verzocht, dat de stad het gesticht zou te hulp komen.
Men antwoordde, daarin inte willigen, zoo ook burgerweeskinderen werden aangenomen, eene aanvraag die de commandant inwilligde.
Beide partijen wendden zich om goedkeuring dezer overeenkomst te erlangen tot de Generale Staten, en bij besluit van 28 Januarij 1641 werd het ontwerp met de reglementen goedgekeurd.
De raad noemde daarop tot eerste regenten van het huis: Jan Everhars, schepen, Jan Fremont, Hendrik van den Brouck, penningmeester der stad, Jan Ghijsen en Hieronymus Rotshouck, welke gemachtigd werden elk jaar eene kollekte te houden in de stad, ten voordeele van de inrichting.
In 1642 verleenden de commissarissen deciseurs, behoudens nadere goedkeuring, aan dit huis het overschot dat zou blijven van godvruchtige stichtingen, na voorziening in de behoeften der gewone armen, en in 1646, den 21 September, machtigden de Generale Staten de regenten, om ten voordeele van het weeshuis in te trekken, de som voortkomende uit het verkoop van eene kanunniksprekende in het kapittel van St. Servaas.
Daarenboven kreeg het weeshuis het tachtigste gedeelte der belasting genaamd de nieuwe middelen, en van het zegel, welke inkomsten nog vermeerderd werden door de opbrengst van twee andere kanonikaten, in 1654 door de Generale Staten toegestaan.
Zoo bloeide de inrichting tot in 1673, toen de Franschen te Maastricht kwamen.
De Minderbroeders worden teruggeroepen, hun klooster, dat de weeskinderen moesten ruimen, om in een gepacht huis gevestigd te worden, veranderde in militair ziekenhuis, en een gedeelte slechts van dit klooster keerde aan de Paters terug.
Na den vrede van Nijmegen geboden de staten, den 6 November 1678, dat de weeskinderen in het klooster hersteld zouden worden, de Minderbroeders edoch vrijlatende in dat gedeelte te vertoeven, waar zij onder de Fransche regeering verbleven waren.
De weeskinderen bleven er nu tot in 1680, alswanneer het klooster andermaal als hospitaal gebezigd werd.
De regenten beklaagden zich aan den Prins van Waldeck, gouverneur der stad, die de belangen der gezamenlijke partijen wist te bevredigen, zoowel der Minderbroeders, gelijk wij zagen, als der weeskinderen, aan welke eene som van 10.000 L. gulden geschonken werd, om een huis aan te koopen.
De Gouverneur verzocht daarenboven, om de twee eerst vakant komende kanonikaten ten voordeele van het weeshuis en het hospitaal te mogen verkoopen, 't geen den 19 Juli 1689 ingewilligd werd.
De regenten kochten alstoen een huis in de Linkulestraat, alwaar het gereformeerd weeshuis ook heden nog bestaat, hielden er hunne eerste vergadering den 2 Februari 1690, en besloten de gebouwen te herstellen en te vergrooten.
Zij kregen verlof tigchelsteenen te bakken in de vestingwerken, begonnen te bouwen en den 20 April waren de kinderen in hun nieuw verblijf.
Naderhand, in 1692, verkreeg het weeshuis nogmaals den verkoopsprijs van een kanonikaat, met het noodige verlof om eene loterij te houden, onder voorwaarde dat het geld zou worden overgebracht bij den generaal ontvanger, die jaarlijks er van den interest aan het weeshuis moest uitbetalen.
Van 1710 tot 1724 moesten de weeskinderen, slechts zes in getal, hun huis verlaten, daar de gevonden en verlaten kinderen er in werden overgebracht, doch deze laatste werden sedert Sept. 1724 bij particulieren uitbesteed, en traden de weezen terug in bezit van hun gesticht.
Dit huis trekt zijne voorname inkomsten uit landsschuld.
Het getal der kinderen die er onderhouden worden overtreft zelden de twaalf.

Een katholiek weeshuis ontbrak aan Maastricht tot tegen de helft der 17ͤ eeuw.
Den 8 Mei 1649 deelde de Burgemeester de Grati aan den raad mede, dat meerdere personen hem hun voornemen te kennen hadden gegeven, binnen of bij de stad een weeshuis op te richten, liefst echter binnen de muren; dat zij daartoe een terrein van 9 (oude) roeden met 18.000 L. gl. wilden schenken, dat nog meer schenkingen nader zouden worden daaraan verbonden, onder voorwaarde echter dat die gelden nooit tot een ander doel zouden mogen worden aangewend. De raad besloot dadelijk aan de twee vorsten de noodige toestemming aantevragen.
Het ontwerp kwam echter niet tot stand. De geestelijkheid en de Magistraat herhaalden het verzoek in 1666, en besluiten der Generale Staten van 16 Mei 1667, en van den Prins van Luik van 13 October daarna, schonken de gevraagde machtiging. De voor weeskinderen gelegateerde sommen, gevoegd bij de waarde van 20.000 L. gl., in gronden en renten voor een weeshuis gegeven door Willem Schellaerts, priester en oud-kanunnik van St. Servaas, bij akte van 15 Mei 1668, werden voldoende geacht om een weeshuis op te richten, zoodra eene passende plaats zou zijn gevonden. De jaren 1668 en 1669 verliepen zonder dat men daarin slaagde. In 1670 was men gelukkiger, want de grootmeijer De la Montagne kon toen eene overeenkomst bij den raad overbrengen, geteekend tusschen de twee dekens der kapittels, de vier pastoors en hun grootmeijer, als regenten van het intestellen weeshuis, van eene zijde, en de overste en conventueelen van St. Annadal, ter andere, verleden voor den Notaris Verstraten, den 1ste Februarij van gezegd jaar.

Die akte werd na voorlezing goedgekeurd.
Daaruit blijkt dat de Eerwaarde Willem Lipsen, deken van St. Servaas, Pieter Looz, deken van O.L.V., Jan Velen, pastoor van St. Jan en kanunnik, Willem Omen, pastoor van St. Mathijs en kanunnik, Arnold van Meibeek, pastoor van St. Nicolaas, Lambert Natalis, pastoor van St. Martinus te Wijk, en de Heer Claudius Ernest De la Montagne, licentiaat in de rechten, grootmeijer, en commissaris-instructeur van den Prinsbisscbop van Luik, als regenten van het katholieke Weeshuis, te Maastricht op te richten, overeenkwamen met de Eerw. Moeder Anna Mets en de conventueele zusters van het klooster St. Annadal, dat de laatstgenoemde aan de eerstvermelde zouden overgeven haar klooster met open plaats, tuin, aanhoorigheden en rechten, om voortaan te dienen tot Weeshuis, onder voorwaarde dat de eerste haar in ruil bezorgen zouden het klooster genaamd Calvarieberg, van de zusters van Hoesselt, op den Kommel gelegen, naast het huis en de schuur van, den Burgemeester Selis, en onder voorbehoud dat door deze verandering van woning, de tweede komparanten noch rechten, noch vrijheden zouden verliezen, die zij bezaten in haar klooster St. Annadal.
Al deze voorwaarden werden uitgevoerd, en den 10ͤ Februarij vestigden twaalf weeskinderen zich in het St. Annadal.
Het huis moet echter niet aan zijne roeping beantwoord hebben, want de regenten kochten achtereenvolgend meerdere huizen in de Linkulestraat en aan den Verwershoek, waar zij een nieuw Weeshuis met kapel opbouwden.
Aan dit huis werden groote veranderingen toegebracht in 1740 en 1741, de kapel werd in 1770 afgebroken en door eene betere vervangen.
Sedert dien tijd is het Weeshuis door meerdere giften verrijkt.
Het bevat gewoonlijk een vijftigtal kinderen.
De inkomsten kunnen 8 a 10.000 gl. 's jaars beloopen.
 

Hiernaast een uitsnede uit het register van ingekomen personen, de volkstelling va 1796 - 1803  op de site van familysearch vind je een aantal personen terug.

Deze heb ik gevonden op de site van Mestreechonline.

Op bladzijde 567 (zie bovenaan) staan de namen uit het weeshuis aan de Zwingelput, op pagina 556 een op de Bonnifante bleek. Op 563 de bewoners van een Maison des foux op de Leuzegraaf

Weeskinderen en Vondelingen in Maastricht .

Het Gereformeerd Weeshuis dat in het voormalig Minderbroedersklooster in de St.Pieterstraat van 1640 tot 1690 gehuisvest was. In 1690 vertrokken de wezen naar de Lenculenstraat, naar het gebouw waarin nu de Toneelacademie is gevestigd. De gegevens zijn uit een ‘resolutieboek van het college van regenten van het Gereformeerd Weeshuis’ 1641- 1655. Het bestaan van een Gereformeerd Weeshuis heeft alles te maken met de verovering van Maastricht in 1632 door Frederik Hendrik, de jongste zoon van Willem van Oranje. Met die verovering bracht hij de protestantse Staten-Generaal als regering (naast de bisschop van Luik) en de protestantse godsdienst naar het volledig katholieke Maastricht. Voortaan waren hier zowel de katholieke als de protestantse godsdienst toegestaan. Een gevolg van het toelaten van de nieuwe religie was dat er een kerk gevonden moest worden voor de protestantse kerkgangers. De keuze viel op de Sint Jan. De eerste predikant werd Philippus Ludovicus (1587-1667), een Duitser van oorsprong. In de literatuur wordt hij omschreven als een dominante persoonlijkheid en een vurig ijveraar van het protestantisme. Hij vond dat Maastricht ‘seer diep verloopen in ’t Pausdom’ was. Een ander gevolg van deze verovering was dat er veel ‘verstroyde’ weeskinderen door Maastricht zwierven. Veel mensen trokken zich dat aan. Het was voor de tijdgenoten duidelijk: er moest een opvang komen. Eén persoon maakte zich daarvoor bijzonder sterk en dat is de al genoemde Philippus Ludovicus. Hij ging naar Den Haag en kreeg het voor elkaar dat de regering, de Staten Generaal, toestemming gaf voor een ‘soldatenweeshuis’, met andere woorden een weeshuis voor kinderen van soldaten. Dat was in augustus 1640. De commandant van het garnizoen (Maastricht was vanaf 1567 een garnizoensstad) kreeg bevel om een gedeelte van het Minderbroedersklooster in bezit te nemen. Maar al na ruim twee maanden werd besloten dat de wezen van burgers van Maastricht voorrang bij de plaatsing in het weeshuis kregen boven de wezen van soldaten. De achterliggende gedachte voor deze plotselinge koerswijziging was ongetwijfeld dat men hoopte dat daarmee het pas ‘ingevoerde’protestantisme een breder draagvlak in de Maastrichtse samenleving zou krijgen. Hoe komt het dat de politiek kon beslissen over een ruimte in het katholieke Minderbroedersklooster?

Dit heeft van doen met de mislukte poging om Maastricht te verraden,een poging om Maastricht weer in handen van de katholieke Spanjaarden te spelen. Tot 1632 hadden de katholieken het alleenrecht in Maastricht en velen wilden deze situatie weer terug. Het volgende verhaal is ongetwijfeld bij veel lezers bekend. De Minderbroeder pater Vink werd medeschuldig geacht aan dit verraad. Hij en een aantal anderen werden onthoofd. Hun hoofden werden op pinnen gezet op het rondeel ‘De drie Duiven’. Vanaf dat moment heet dit rondeel ‘De Vief Köp’. Het gevolg van deze geschiedenis is dat de Minderbroeders een bijzondere eed van trouw moesten afleggen aan de Staten Generaal. Zij weigerden daaraan te voldoen, waarop zij de stad moesten verlaten. Echter,niet alle Minderbroeders waren vertrokken. Twee mochten voorlopig blijven in een afgesloten ruimte om het gebouw te bewaken. Dat zinde de protestanten weer niet. Twee geloven onder een dak, dat kon niet. Er moest daarom iemand komen die de situatie in de gaten hield, een inspecteur,en dat werd de al eerder genoemde Philippus Ludovicus. Ook hij ging in het Minderbroedersklooster wonen en vocht van daaruit onvermoeibaar voor het zedelijk welzijn en de godsdienstige zuiverheid van zijn wezen. Wie waren nu die wezen? Uiteraard ouderloze kinderen. De ouders moeten tot de Maastrichtse burgers of tot de soldaten uit het Maastrichtse garnizoen hebben behoord. Als ze tussen de 4 en 15 jaar oud waren, gezond en gereformeerd, kregen zij een plaatsje in het weeshuis toegewezen. Is het nu duidelijk waar zich dit weeshuis bevond? Omdat bekend is dat het militair weeshuis een aantal jaren later de oost- en zuidgang van het klooster betrok, kunnen we dan concluderen dat het Weeshuis zich aan de westzijde bevond,met andere woorden langs de Sint-Pieterstraat? Jammer genoeg is dat niet met zekerheid te zeggen, omdat op de foto van de Franse maquette van 1748-1752 nog meer onderdelen van het klooster te zien zijn die in aanmerking zouden kunnen komen voor onderdak van de wezen. In ieder geval werd de beschikbare ruimte voor de komst van de kinderen verbeterd. De zolder werd gerepareerd, een trap afgebroken, een aantal schoorstenen brandveilig gemaakt, er kwam een nieuwe slaapzaal, bedsteden werden in orde gemaakt en het donkere glas in de vensters werd vervangen door helder glas. Er is ook een speelplaats aangelegd. De kinderen werden verzorgd door weesouders. De benamingen voor hen waren ‘binnenvader’ en ‘binnenmoeder’. Zij deden alles wat tot ‘nootdrufft ende onderhout vande voorzs. kinderen behoort’ oftewel de bekende huishoudelijk taken, vaak bijgestaan door een dienstmeid, zoals zorgen voor eten en drinken, warmte en licht, schone kleren en het verstellen ervan. Er was ook een schoolmeester verbonden aan het weeshuis. De kinderen kregen in de zomer acht uur les en in de winter zeven uur. De nadruk lag vooral op catechismus, gehoorzaamheid en beleefdheid. Zij leerden een vak en werden daarvoor bij ambachtslieden in de leer gedaan. Sommige kinderen werden uitbesteed. Er was ook een ‘doctoor of chirurgijn’ beschikbaar. Wanneer de wezen de leeftijd van 25 jaar hadden bereikt, werden ze geacht op eigen benen te kunnen staan. Bij het verlaten van het weeshuis kregen zij een vaste uitzet mee en wat geld of goederen al naar gelang zij bij hun aankomst in het weeshuis hadden meegebracht. Regenten of weesmeesters vormden het bestuur. Zij zorgden voor het algemeen beheer. Hun besluiten zijn in het bovengenoemde resolutieboek opgenomen. De regenten werden bijgestaan door regentessen of weesmoeders. Zij hielden toezicht op voeding, kleding en alles wat van ‘nooden’ is.

Het jaar 1802 geeft duidelijk inzicht in de bewoning, van armen, wezen en gekken binnen het Jekerkwartier. In een relatief klein gebied waren drie weeshuizen, een gekkenhuis en een armenhuis gevestigd. De Zwingelput 4 spande de kroon. Het voormalig kerkelijk convent met tuin waarin een armenhuis was gevestigd werd bewoond door 105 paupers, onder het toeziend oog van een directeur.
In de Leuregraaf 9 (Looiersgracht) was een gekkenhuis ondergebracht waar 35 gekken verbleven. Ook hier werd een directeur aangesteld.
De wezen in de stad waren in een drietal weeshuizen ondergebracht, twee katholieke en een protestants tehuis. In het pand Bonnefanten bleek 1 en Lenkulenstraat 12 woonden respectievelijk 35 en 62 katholieke wezen. In het protestants weeshuis, de huidige toneelacademie, woonden 11 wezen. In alle gevallen waren het mannen, vrouwen, jongens en meisjes
.
Bron: Franse volkstelling van 1802

'Hartverscheurend is het briefje' Gereformeerd Weeshuis Lenculenstraat 33

‘ Deze ongelukkige, welke door eergevoel en een tesamenloop van omstandigheeden weerhouden word om voor het oogenblik niet te kunnen voldoen, aan de eerste zo heilige moeder pligt, smeekt (….) aan dit dierbaar voorwerp eener ongelukkige liefde , eene goede voedster te willen geven, tot een gunstiger oogenblik als wanneer het kind in de arme der rechtmatige thans ongelukkige moeder sal terug kunnen besorgt worden’. Constance Opale wordt ze genoemd, de baby die op 2 januari  1821 wordt gevonden met een groene lintje om haar rechterarmpje. ‘Ingewikkelt in een stuk rood en uitgestreepte flanelle, een linne  doek  en een dito navelbandje en een doorschijnend gebreid catoene mutsje, alles noch met letters noch met cijfers getekend’.  

Vondelingen in de Franse tijd, 600 dossiers van kinderen tussen 1804 en 1823 heeft het RHCL. Vaak zitten er bij officiële proces verbaal waarmee de vondeling is aangegeven authentieke bewijsstukken als afscheidsbriefjes of persoonlijke merktekens die op de babykleding werden gespeld of erin werden verstopt . Zodat het kind later, in betere tijden, te identificeren zou zijn. Lintjens, prentjes, stukjes stof, doorgeknipte speelkaarten of een propje wol als uniek legitimatiebewijs. “Ze zijn allemaal keurig bewaard.” De fragiele aandenkens vormen het bewijs van een groot sociaal drama dat zich heeft afgespeeld in het Franse departement Nedermaas, waar het grootste deel van Belgisch en Nederlands Limburg onder viel. Volgens de Franse wet moesten vondelingen op kosten van de staat worden opgevoed. Maastricht kreeg als hoofdstad van het departement een vondelingenhuis, waar van heinde en verre ongewenste kinderen naartoe werden gebracht. In een fors boekwerk werden de baby’s in sierletters geregistreerd. Achter elke naam een gruwelijk verhaal.

“Sijn naam is Goodevree Dienszenbacher het was van een arme dienstmeijd die de mittele niet heeft om ob te trekken”.

Het vondelingenhuis was ingesteld om kindermoord tegen te gaan en omdat de Franse overheid vondelingen als een staatsverantwoordelijkheid zag.  Arme en ongehuwde moeders zagen het vondelingenhuis vaak als enige uitweg. Baby’s kwamen vanuit het hele departement, maar in Maastricht, waar een garnizoen gelegerd lag , werden relatief veel onwettige kinderen geboren waarvan de vader militair was. ‘Enfants de la Patrie’ werden ze ook wel genoemd. Op enig moment waren er ongeveer 100 vondelingen per jaar.  Het exacte aantal is onbekend. Een grove blik op de registerpagina’s  leert dat ongeveer de helft het niet redde. “Een zuigeling kon alleen maar overleven als er een voedster werd gevonden. Flessenmelk was er nog niet, en pap met brokken konden ze niet verdragen. We hebben wel een briefje gevonden van een vondeling waarvan gemeld wordt dat hij niet de borst heeft gehad, maar gevoed is met een ‘soep’ van half melk, half suikerwater met verkruimelde beschuit.

Met het wegtrekken van de Franse troepen in het voorjaar van 1814 werd de stad overrompeld door allerlei militairen, tot Kozakken aan toe. Het aantal onwettige kinderen en vondelingen steeg in deze jaren onrustbarend. Dit is tevens een uiting van de grote armoede van het begin van de 19e eeuw. Van 1814-1823 een periode van tien jaar, maar liefst 509 Maastrichtse vondelingen werden aangegeven bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand ? Een piek werd bereikt in de periode 1819-1821, een periode van drie jaar, waarin de ambtenaar van de Burgerlijke Stand 250 vondelingen registreerde. In diezelfde periode van drie jaar werd van 2.352 levend geboren Maastrichtse kinderen een geboorteakte opgemaakt, zodat het aantal vondelingen van dit aantal maar liefst meer dan 10 procent onderdeel uitmaakt.
De naamgeving geschiedde meestal op bijzondere kenmerken van het kind of werden ontleend aan de plaats waar het gevonden werd. De voornaam was meestal op het kind vermeld en werd overgenomen.

 Er zijn opmerkelijk veel kinderen uit Wallonië in Maastricht opgenomen, waarvan in het ‘koeterwaalse’ briefjes wordt gemeld dat ze een vacsain tegen de pokken  hebben gehad. Bij de “Nederlandstalige briefjes is dat nergens aangetroffen”. Verder komen de baby’s uit de hele euregio en nog verder, van Kerkrade tot Kessel, van Aubel tot Roermond. Aanvankelijk werden ze bij het gebouw te vondeling gelegd; in 1819 werd een ‘rol ‘  of draye-poort aangebracht. Een houten cilinder waarin het kind gelegd werd: als de moeder de cilinder een halve slag draaide, verdween het kind naar binnen. 

“Hier ligk ik seer onbekwaam en

Mariana is mijne naam

Mijn vader wilt mijn niet

En mijn moeder die is doot

Ik bid lieve godt maar

Om het dagelijks brood”.

Maria Anna Dicht werd het kind gedoopt, dat vergezeld van dit rijm briefje werd gevonden op 12 juni 1820. Twee maanden later zou ze sterven. “Het was een heel gedoe hoor, om telkens weer een naam te bedenken voor die kinderen”.   Vaak werd gerefereerd aan de merktekens die werden aangetroffen. Satijn bij een satijnen strikje, de baby die een rood/wit koordje bij zich droeg ging Ann Joseph Tweekleur heten. Het  weer kon een rol spelen bij de doopnaam: Balthazar Sneeuw, Jacobus Maneschijn, Francois Mist.  Alexander Waterloo werd geboren vlak na de beroemde veldslag, en Alexadrine Dubruit (kabaal) huilde kennelijk hard. Andr;e Minuit, werd rond middernacht gevonden, en kinderen met achternamen als Mes, Lepel, Bord of Zwak hadden simpelweg pech. Zij zijn waarschijnlijk aangegeven op een moment dat Josephine Albert weinig inspiratie had. De dochter van de beheerder van het vondelingenhuis had de taak op zich genomen om de kinderen officieel te registreren. Maar er zijn twijfels bij haar nobele bedoelingen. Er zijn aanwijzingen dat er fraude in het spel was. Ze zou hebben meegedeeld in de staatsvergoeding die pleegouders kregen om vondelingen te leggen. Ook valt van een aantal kinderen  te bewijzen dat de identiteit bekend was;  toch gingen ze niet terug naar de biologische ouders.  Zo klaagt ‘Mevouw Moor’ bij het bestuur van het vondelingenhuis dat ze onder druk gezet wordt door Josephine Albert;  de biologische moeder claimt de helft van het pleeggeld of wilt haar kind terug. “Toen ik dat kint kreeg was het 13 a 14 maanden oudt maar dat kint was lam; door mijn zorg en oppassen heb ik dat kint aan de gank geholpen en nu het gaan kan, wordt het mij afgenomen. Ik heb gezeijt dat geen moeder het geldt konde trekken van haar eijgen kint”.

Hetzelfde jaar nog 1822, wordt de rol afgeschaft. “Men had ingezien dat er een verband was tussen het plaatse van de rol en de exponentiële toename van het aantal vondelingen”. Bovendien bepaalt koning Willem I dat jaar dat bedelaars, vondelingen en wezen ondergebracht moeten worden  in de Veenkoloniën.  “een gruwelijk besluit.” In 1824 sluit het vondelingenhuis. Dat jaar worden nog vijf baby’s  te vondeling gelegd.

Het voormalig gereformeerd weeshuis, aan de Lenculenstraat bestaat uit drie naast elkaar gelegen panden, die inwendig tot één geheel vereenigd zijn. Aan de oostzijde trekt de gevel van het middelste gebouw de aandacht door zijn zeventien kruisramen, regelmatig over het benedenhuis en de eerste verdieping verdeeld. De lage tweelichtsvensters van de tweede verdieping passen daar goed bij aan. Aanvankelijk waren al deze ramen van geschilderde luikjes voorzien, die het huis een vriendelijker voorkomen gaven. De fraaie trapgevel aan de noordzijde is in 1913 geheel nieuw in den oorspronkelijken stijl opgetrokken. Vóór het jaar 1913 was het van beteekenis  wegens de instellingen van liefdadigheid, die er gedurende meer dan twee eeuwen in gevestigd geweest zijn. Tot voor korten tijd was het meest zuidelijk gelegen gebouw een afzonderlijk pand, waarin van 1802 tot 1810 vondelingen en andere verlaten kinderen een onderdak vonden. De beide andere gebouwen waren van 1690 tot 1810 ingericht tot een tehuis voor gereformeerde weezen. Daar de weezen kleiner in aantal waren dan de vondelingen, voor wie het vondelingenhuis geen voldoende ruimte was, deed men laatstgenoemd jaar de bewoners van beide gestichten met elkaar van woning verwisselen. Toen in 1824 het vondelingenhuis gesloten en de verlaten kinderen bij particulieren uitbesteed werden, kregen de weezen hun huis weer terug. Bij de steunbogen tussen de Sint-Servaaskerk en de proosdij werd op 9 september 1827 een vondeling ontdekt. De baby kreeg de naam Servaas Boogen mee en was de stamvader van een Limburgse familie

Het bouwblok aan de Lenculenstraat is vrij smal en het werd in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd. De zijgevel van dit bouwblok heeft een opvallend strak patroon van speklagen. De voorgevel werd gereconstrueerd toen in 1913 het Oudheidkundig Museum in het weeshuis werd gevestigd. Het bouwblok aan de Jeker dateert uit het midden van de zeventiende eeuw en de bakstenen gevels van dit bouwdeel hebben opmerkelijke rondboogvensters, die met mergelblokken zijn omlijst. Dit bouwblok was oorspronkelijk van de protestantse magistraatsfamilie Municx, waarvan enkele telgen in de tweede helft van de zeventiende eeuw tot burgemeester van de stad zijn verkozen. Tussen 1689 en 1692 werd het protestants weeshuis in deze gebouwen gevestigd en zijn de twee bestaande vrijliggende bouwblokken verbonden door een tussenbouw. Deze tussenbouw heeft een traditionele opbouw en gevelindeling met alle kenmerken van de Maaslandse renaissancestijl: een plint van Naamse steen, horizontale en verticale geledingen in mergel, baksteen voor de gevelvelden en mergel in combinatie met hardsteen voor de raamomlijstingen.
Rond 1690 is ook het poortgebouw tot stand gekomen tussen de Jeker en het huis van Municx. Zodoende werd een verbinding door de oude walmuur gerealiseerd tussen het weeshuis en de Ezelmarkt. In 1780 kreeg de zijgevel van het huis aan de Lenculenstraat op de begane grond geloogde hardstenen vensters.
De gevel aan de Lenculenstraat werd in 1825 deels herbouwd.
Toen kregen de vensters negentiende-eeuwse houten ramen die direct in de baksteengevel werden geplaatst.
In 1911 werd het weeshuis door de gemeente aangekocht en in 1913 werd de voorgevel uit 1825 weer afgebroken en in zijn geheel ruim een meter naar achteren verplaatst om de rooilijn van de straat recht te kunnen trekken.
 

Bij die gelegenheid werden er hardstenen kruisvensters in de gevel geplaatst net zoals de vensters in de oostwand van het middendeel.
Het poortgebouw werd verbouwd tot portierswoning van de nieuwe meisjesschool die in de tuin werd gerealiseerd.
In 1951 werd de Toneelschool gehuisvest in het voormalige weeshuis.

R.K. Weeshuis bestaat uit drie panden.


Het hoekhuis aan de Lenculenstraat-Verwerhoek was een vrijstaand huis.
Blijkens bouwsporen in de kelder en de kap dateert het van omstreeks 1500.
De gevels met rondbooglisenen zijn in het begin van de twintigste eeuw vernieuwd.
Het hoekhuis heeft een verdieping en een halfrond geloogde entree met een omlijsting van Naamse hardsteen.
De koetspoort met gegroefde hardstenen omkadering dateert uit het begin van de negentiende eeuw.
Aan de achtergevel bevindt zich in de westelijke muur een steen met het jaartal 1778.
De muurankers in het oostelijke muurdeel tonen het jaartal «1640».
Het tweede gebouw aan de binnenplaats sluit hierbij aan; de classicistische westelijke hoofdgevel is naar de binnenhof gekeerd en werd in het begin van de negentiende eeuw gebouwd.
Enkele onderdelen zoals de omlijsting van de middenentree blijken herbruikte bouwonderdelen.
Ook dit pand bezit één verdieping.
De gevel wordt door geblokte lisenen van Naamse hardsteen verticaal geleed.
Het wordt bekroond door een driehoekig fronton; twee traveeën hebben boven elkaar geplaatste vensters met sluitstenen in de geloogde bovendorpels.
Een gevel uit circa 1700 met drie kruisvensters verbindt het tweede pand met het kopgebouw nabij de Jeker.
Dit vroegzestiende-eeuwse pand is opgetrokken uit baksteenlagen doorbroken door speklagen van mergel.
Opmerkelijk zijn de laatgotische accoladebogen aan de bovendorpel van de hardstenen kruisvensters in de zuidelijke topgevel van dit pand. Aan de hofzijde bezit deze vleugel een gevel met kruiskozijnen en een middenpartij met fronton, XVII. 


 


 

Naor Bove

 Bron: Boek van Helpoort tot De Heeg Maastricht 750 jaar stadsontwikkeling, De Limburger. Archiefsprokkels RHCL, Gereformeerde Weeshuis Rijksmonumenten, MestreechOnline, RK Weeshuis Rijksmonumenten,

Willemien Schouten, Dingemans, De oude Minderbroeders; Scheelings, Dickhaut en Luijten, De Toneelacademie; Scheelings, Inventaris van het archief van het Gereformeerd Weeshuis, Geschied- en oudheidkundige schets der stad Maastricht, door Jos. Russel Tweede deel; 1884. Prent Kapittel St.Servaas Wikiwand, Klooster en Prent kinderrol RHCL, Foto Lenculenstraat33, Verwerhoek, Gebrandschilderde ramen RCE, foto weeshuis binnezijde links Tibaert,foto binnenzijde weeshuis lenculenstraat 33 Mestreechtersteerke.

Aonvaank