Pieke oet de

Stokstraotkerteer

 

Pieke oet de stokstraotkerteer:

Pieke en zijn hond 'Maoke' zijn twee figuren die uit het boek 'Sjengske' van Bér Hollewijn komen.

Bèr Hollewijn; schrijver [1907-1978] gebruikte als peseudoniem: Sjesco Orenz.
Hij schreef in totaal 56 toneelstukken en elf romans.
Bekend van hem bleef het passiedrama
De Kruusweeg = De kruisweg [1943].

Bron: de dikke HEM van Pierre Ubachs en Ingrid Evers.

Over het beeld aan 't eind van de Stokstraat en dicht bij het OLV-plein, het volgende.
Afgebeeld is Pieke, met zijn hond Maoke en Pieke houdt een stuk zeep in zijn handen.
De twee figuren (Pieke en Maoke) zijn afkomstig uit een van de romans/verhalen van Bèr Hollewijn.

Sjengske is een figuur uit Bèr Hollewijn's trilogie: Sjengske - Sjeng - Peer.
Hij schreef het onder zijn pseudoniem Sjesco Orenz.
Een ander zeer bekend boek van Sjesco Orenz is: De Rode Vlam; een kampvuurboek voor jeugdleid(st)ers; De Centrale voor Volkskunst, Maastricht, ?1950

1996
27 Oktober, het bronzen standbeeld van de 'Batteraof Pieke en zijn hond Maoke' in het Stokstraatkwartier onthuld naar een ontwerp van R. van Kesteren en gemaakt door Nicolas van Ronkenstein.
Pieke en Maoke zijn de hoofdfiguren uit de romans van Bèr Hollewijn, die zich in het Stokstraatkwartier afspeelden.

Naor Bove

Stokstraat/Stokstraot:

Op deze plek was in de Romeinse tijd al bebouwing. In de Middeleeuwen vond in de straat veel handel plaats. Later verpauperde de straat. In de negentiende en eerste helft twintigste eeuw werd de straat vooral bewoond door armen, die vaak met meerdere families één verdieping van een pand bewoonden.

In de jaren vijftig waren de huizen in de Stokstraat krotten en heerste er soms bittere armoede bij de families die er woonden. Bewoners van toen halen herinneringen op aan liefde, leed en onderlinge saamhorigheid. In de jaren '50 en '60 werd de Stokstraat grondig gesaneerd en gerenoveerd. In de straat herrezen oude panden uit de straat, maar ook gevels die elders in de stad waren afgebroken. De oorspronkelijke bewoners werden door de gemeente gedwongen te verhuizen en kijken vandaag de dag met gemengde gevoelens terug op de gedaantewisseling van hun straat

Een deel van de bewoners werden in die tijd ondergebracht in een woongemeenschap aan de rand van Maastricht, De Ravelijn, waar de gemeente een poging deed ze te 'heropvoeden'. Een ander deel werd in Wittevrouwenveld ondergebracht. Na de sanering van de straat konden de oude bewoners de huren van de gerestaureerde huizen niet meer opbrengen.

Johnny Blenco, zanger van het Maastrichtse lied, groeide op in het Boschstraatkwartier, een arbeidersbuurt niet ver van de Stokstraat. Hij weet nog dat hij als jongetje af en toe zijn vader uit een café in de Stokstraat moest gaan halen en dat hij “illustere figuren als de Rooie Tina en de Lange Lies bezig zag hun klandizie binnen te halen.” Op verzoek van voormalige bewoners heeft hij later een lied geschreven over de buurt, waarin hij de cafés en de bijnamen van de bezoekers in herinnering roept en vooral de warmte die de buurt vroeger bezat.

Voor Jo Voorst, wiens grootouders een café bezaten in de Stokstraat, vormt die warmte ook een belangrijk deel van zijn herinnering. De sfeer in het café aan het begin van de avond, als hij er eten kreeg en een glas donker bier, de klanten van diverse pluimage, de biervaten die met paard en wagen werden gebracht: het zijn beelden die Jo Voorst koestert. Het was voor hem ook spannend als echtelijke ruzies openlijk werden uitgevochten, met serviesgoed dat in scherven op straat terechtkwam.

“Vliegende schotels,” zo omschrijft Corrie Kempeners het serviesgoed van haar tante Marie. Corrie werd geboren in de Stokstraat, ze groeide op met vijf broers en zussen in een groot herenhuis dat per kamer werd verhuurd. Op hun verdieping woonden nog twee andere gezinnen met vier en twee kinderen en daaronder twee gezinnen met negen en dertien kinderen. Binnen was nauwelijks ruimte, spelen deden ze altijd op straat. “Touwtje springen, knikkeren, kaatsen, verstoppertje, nalopertje, iedere drie maanden was er wat anders. In de winter gooiden ze water en dan was er een glijbaan. Dat kon hier allemaal.” Corrie vindt dat ze een hele goede jeugd heeft gehad. Alles werd gedeeld, er was grote solidariteit met elkaar.

Dat vind Roos Damen ook. Zij werd geboren aan het andere einde van de Stokstraat en ook in hun pand woonden verschillende gezinnen. Die deelden met z’n allen één kraan en de poepdoos op de binnenplaats. Roos had zeven broers en een zusje en met hun ouders hadden ze de beschikking over twee tochtige en vochtige kamers. Maar de slechte woonsituatie is voor Roos van ondergeschikt belang bij de terugblik op haar jeugd. “We waren, voor mijn idee dan, een beetje rijk. We hadden altijd te eten. Er waren ballen, rolschaatsen, niet nieuw, maar we hadden het. We hebben altijd ouders gehad die ons knuffelden, die lief waren en die ons gegeven hebben wat ze konden.” De buurt was spannend, alles gebeurde op straat. Roos herinnert zich wel dat haar ouders haar daarvoor probeerden af te schermen: zij mocht ’s avonds niet buiten spelen. Corrie evenmin en ook Jo moest op tijd naar bed. Maar als kind kreeg je toch het nodige mee van dronkemansgelal, ruzies en vechtpartijen. Net als het vage besef dat je uit een buurt kwam die in de ogen van “nette” Maastrichtenaren niet deugde

Naor Bove

Stokstraat / Stokstraot rond 1950 voor meer foto's van de Stokstraat klik op de foto's hierboven en je kom dan op de fotosite uit van Ton Reijnaards. Veel plezier.

Naor Bove Bron:  www.maastrichtonline.nl,  geschiedenis vpro wikipedia, Foto: John Kerkhofs (muv de zwartwit foto's).

eine terök