Mestreech Vreuger

(Hoofdstuk 4 De Fransen beginnen zich bedreigd te voelen)

 

Hier kunt u de eerdere Hoofdstukken lezen: Hoofdstuk 1 - Hoofdstuk 2 - Hoofdstuk 3 - Hoofdstuk 5 - Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 4: De Fransen beginnen zich bedreigd te voelen.

Met het verstrijken van de tijd begon Generaal Merle steeds strengere maatregelen te nemen. Verordening volgde op verordening. De ene dag werd bevolen: alle inwoners van Maastricht moeten brandende kaarsen voor de ramen zetten als het garnizoen s nachts een uitval doet. De andere dag: niemand mag meer op  de wallen. Nu eens was het: de mensen moeten van de straat blijven wanneer het garnizoen uitrukt; de oorlog is geen kijkspel. Dan weer: de burgers mogen niet in groepjes bij elkaar op de straat staan. Deden ze het toch, dan zou er geschoten worden. Op de Maasbrug moest je doorlopen en vooral niet links of rechts kijken, anders liep je de kans in de gevangenis boven de St.Pieterspoort opgesloten te worden.

s Avonds na elf uur moest iedereen binnen zijn. Generaal Merle vertrouwde de Maastrichtenaars niet erg. Om op alles voorbereid te zijn liet hij de Maasbrug barricaderen en er  twee geladen kanonnen plaatsen. Hetzelfde deed hij op het Vrijthof. Soldaten met brandende lont in de hand stonden er bij op wacht. Dit was een duidelijke waarschuwing aan het adres van de burgers zich vooral stil te houden en het niet te wagen iets tegen de Fransen te ondernemen. Maar Maastricht hield zich stil. Wel lieten ze op een echt Maastrichtse manier generaal Merle merken hoe ze over hem dachten en wat ze hem desnoods toewensten. Want op een morgen, toen de generaal het huis wilde uitgaan, bungelde er een dode merel (In het Frans Merle) met een touw om zijn nek aan de deur.  Tegen een mogelijke vijand in de stad voelde Merle zich na al deze maatregelen wel gedekt. Tegen de vijand buiten moest hij zich met andere middelen wapenen. Daarbij dacht hij ogenblikkelijk aan de Maasbrug. Hij wilde in ieder geval voorkomen dat de vijand er gebruik van zou kunnen maken, als hij ergens in Maastricht was binnengedrongen. De Maas moest een lastige hindernis blijven. De bouwers van de Maasbrug hadden wel degelijk aan de militaire betekenis van de brug gedacht. Daarom hadden zij de laatste boog aan de kant van Wijk van hout gemaakt, die in geval van nood gemakkelijk vernield kon worden. In de morgen van de elfde maart waren de Fransen soldaten druk in de weer bij de houten overspanning van de brug. Met houwelen en beitels gewapend hakte ze een gang in de muur aan de Wijkerkant, waar de boog op rustte. Na lang en moeizaam ploeteren was de gang klaar. Deplaie, die eens een kijkje was gaan nemen, zag nu tot zijn schrik de soldaten een vat met 200 pond buskruit in het gat schuiven. Hij voelde zich niet echt op zijn gemak met al dat buskruit zo dicht in de buurt. Nog minder waren dat de mensen, die vlak bij de brug woonden. Hals over kop begonnen ze hun huizen te ontruimen. s Avonds schreef Deplaie in zijn dagboek God verhoede, dat die zaak tot ontploffing komt. Als dat gebeurt, gaat de hele Wijker Brugstraat de lucht in.

De Franse generaal nam geen halve maatregelen. Hij wilde graag het zekere voor het onzekere nemen. De mogelijkheid was niet uitgesloten, dat de vijand zou proberen in bootjes de Maas af te zakken om langs die kant de stad binnen te dringen. Daarom gaf hij opdracht om de rivier af te sluiten. De soldaten sleepten boten met zware balken beladen naar St.Pieter en heiden daar de palen in de Maas van de ene oever naar de andere. De toestand werd met de dag spannender, want ook de belegeraars zaten niet stil. In het bos van Gronsveld werden grote partijen takkenbossen opgeslagen. Van die takken vlochten de Zweden grote korven, die volgegooid met aarde een goede dekking zouden vormen voor de kanonniers. Terwijl Maastricht in angst en beven het bombardement afwachte dat aan de bestorming zou voorafgaan, gebeurde er tot ieders verbazing iets heel anders. Op een mooie lentedag tegen het einde van de maand maart trokken veel arme vrouwen met haar kinderen in grote groepen de Duitsepoort uit.

Geen soldaat of officier van de wacht die hen tegenhield. Al spoedig was het een gekrioel van mensen buiten de poort. Iedereen greep wat hij maar pakken kon krijgen. De een had het gemunt op het hout van de afgebroken huizen, de ander zocht vlijtig naar veldsla. s Avonds keerde de hele stoet naar de stad terug, beladen met de buit van de dag. Paul en Frits Deplaie hadden ook hun kans schoon gezien om een kijkje buiten de poort te gaan nemen. Want de hele winter door in de stad opgesloten zitten,  daar was ook geen aardigheid aan. En zonder zich verder over iets te bekommeren, waren ze samen met twee vriendjes de poort uitgestapt. De vier ondernemende ventjes wandelde helemaal naar Heer en trokken zich van de hele oorlog niets aan. Toen de avond begon te vallen, moest er gehold worden om op tijd binnen te zijn. Verbeeld je, dat de stadspoort gesloten was, dan zou het er lelijk voor hen uitzien. Want groot of klein, wie niet op tijd binnen was, kon s. nachts voor de poort blijven zitten. Door de grote haast verloren ze hun beide kameraadjes uit het oog. Zoals wel te verwachten viel,  werd het geen feestelijke thuiskomst. Ze kregen van vader een geduchte uitbrander. Die twee mochten nog van geluk spreken, dat ze op het laatste nippertje waren binnengeglipt. Hun vriendjes kwamen niet meer terug; die hadden de poort gesloten gevonden. Ze waren daarom maar naar Heer terug gewandeld. Pas na een paar weken kwamen ze weer boven water.

De volgende dag werd het nog mooier. Het leek wel een complete marktdag. Met tientallen tegelijk kwamen de boeren uit de omliggende dorpen naar de stad. En wat ze allemaal mee brachten! Boter, eieren, vlees, spek, graan. Het was een feest voor het oog. De mensen in de stad zagen dat maar wat graag. Er waren dan ook kopers genoeg en de boeren maakte goede prijzen voor hun waar. Met volle beurzen trokken ze s avonds weer terug naar hun dorp. Alle huismoeders in Maastricht waren blij. Ze hoopten dat het zo nog een tijdje zou doorgaan, dan zou alles van zelf wel goedkoper worden. Vader Deplaie vond het allemaal een beetje vreemd. Hij vertrouwde het niet erg en s avonds schreef hij in zijn schrift: ik kan uit deese oorlog niet weijs worden, van alle kanten zoo ingesloten, en den vijand laat nog alles nae binnen coomen. De Zweden lieten die voedseltransporten oogluikend toe, omdat het einde van de oorlog in zicht kwam. Napoleon had op verschillende plaatsen zware nederlagen geleden. Wat zou men zich nog druk maken om Maastricht!

Intussen was het bijna Pasen geworden. Zou het met Pasen vrede zijn ? Niemand kon het met zekerheid zeggen. De vooruitzichten waren anders wel erg goed en de verwachtingen hoog gespannen. Maar de zaterdag voor Palmzondag gebeurde er iets dat alle hoop op een gelukkig afloop plotseling de bodem insloeg. Tot hun grote schrik bemerkten de burgers, dat de Fransen alle wachtposten hadden verdubbeld. Wat zou hun nu weer boven het hoofdhangen? Op Palmzondag, 3 april werd Maastricht om vier uur in de morgen uit de slaap gewekt door gebulder van de kanonnen op het fort St.Pieter. Zwaar rolde de echos van het kanongedonder door het stille Maasdal. Tussen de doffe saldos van het zware geschut door klonk het geknetter van de geweren. Weg was de slaap! Vliegensvlug greep Deplaie zijn kijker en klom haastig naar de zolder. Vanuit het dakraam zag hij het kanonvuur oplichten in het schemerige morgenuur. Het was alsof de St.Pietersberg in vuur en vlam stond. Vanaf het fort tot Lichtenberg spoten vuurstralen uit de monden van het geschut. Dit ging zo door tot een uur of zes. Toen verminderde het artillerievuur een beetje. Door deze hevige kanonnade dachten de Fransen dat de Zweden wel uit hun stellingen in Wolder verdreven te hebben. Het voetvolk gesteund door de ruiterij, trok de stad uit en deed een hevige uitval richting Wolder met de bedoeling de muur langs het nieuwe kerkhof aan de Tongerseweg af te breken. Die muur bood de Zweden een te mooie dekking bij een mogelijke aanval op de stad. De Zweden bereidden de Fransen echter een warme ontvangst en boden hevig weerstand aan de aanvallers. Daarop brachten de Fransen hun artillerie op het fort St.Pieter weer in werking,  nog versterkt door de batterijen van de Tongersepoort, die opgesteld stonden op de hoek van de nog overgebleven walmuur tegenover de berenkuil. Om het bezit van Wolder werd hevig gevochten. Nu eens was het in Franse, dan weer in Zweedse handen. De ruiterij van beide partijen ging elkaar met de blanke sabel te lijf. De strijd werd met zon verbetenheid gevoerd, dat Deplaie op zijn zolder het geschreeuw van de commanderende officieren kon horen. Om meer kracht aan hun aanval bij te zetten hadden de Fransen twee kanonnen meegevoerd, maar de ongeoefende artilleristen haalden tot overmaat van ramp de domme streek uit er eerst een kogel in te stoppen en daarna het buskruit. Toen waren de kanonnen niet meer te gebruiken. De burgers in de stad stonden duizend angsten uit door al dat krijgsrumoer. De Zweden bleven de Fransen de baas en tegen de avond moesten  de aanvallers overhaast op de vesting terugtrekken op de hielen gezeten door de achtervolgende Zweden. Tweehonderd van hun kameraden moesten ze op het slagveld achterlaten. De Zweden telde zestig gesneuvelde. Vijf van hen werden als krijgsgevangen de stad binnengebracht, waar er spoedig een aan zijn verwondingen bezweek. Het was het laatste en ook het bloedigste gevecht dat om Maastricht geleverd werd

Naor Bove

 Bron: Boek 'In Maastricht waait weer de Oranjevlag': Samengesteld door Br. Sigmund Tagage en Br. Winifred Ubachs iov Burgemeester en Wethouders der Gemeente Maastricht met de deskundige medewerking van Mr. Drs. H.H. Wouters. Drukkerij G. Walters en Zn. te Maastricht . Tekening Maasbrug Ph van Gulpen ca 1850,  situatie 1806, Duitse Poort A.Schaepkens 1860, Schilderij Amsterdamse Markt, tekening geschut buiten de poorten Wikipedia.

Aonvaank