Mestreech Vreuger

(Hoofdstuk 3 De Fransen eisen geld en goed)

 

Hier kunt u de eerdere Hoofdstukken lezen: Hoofdstuk 1 - Hoofdstuk 2 - Hoofdstuk 4 - Hoofdstuk 5 - Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 3: De Fransen eisen geld en goed.

Met een nors gezicht bezag Deplaie het belastingsbiljet, dat hij zo juist ontvangen had. De stad moest 92.000 francs opbrengen aan oorlogsbelasting. Deplaie was helemaal niet te spreken over de flinke som, die hij moest neertellen. Boos liep hij naar de kamer om zijn vrouw het slechte nieuws te vertellen. Bij het raam zat moeder Deplaie ijverig hemden te naaien. “Vrouw, kijk eens hier”, riep Deplaie boos uit, “als dat zo door gaat dan komen we nog aan de grond te zitten!”

“Ja, ja man”, zuchtte moeder. “het zijn slechte tijden. Maar kijk eens hier wat ik aan het doen ben. Toen jij straks even de stad in was. Liet de pastoor ons door iemand zeggen, dat de generaal van iedere burger een paar hemden verlangt voor zijn soldaten. De generaal zei, dat hij op het goede hart van de Maastrichtenaars rekent en minstens zesduizend hemden verwacht.  We zouden het toch zeker niet kunnen aanzien dat die arme jongens nog geen hemd meer aan hun lijf hadden. Ze hadden het toch al zo hard te verduren. Zware dienst: elke morgen om drie uur uit de veren en dan in de felle kou buiten op de wallen wacht kloppen. En in de hospitalen lagen de zieken door tyfus gekweld zonder verzorging. Zo aanstonds zal de pastoor ze laten ophalen, ik zal hem er maar twee geven”. “Wat gaat er nog allemaal gebeuren”, riep Deplaie, “zelfs de gewone, fatsoenlijke burger lijdt al gebrek en nu moeten ze ook nog hemden van ons hebben”.

De generaal kreeg zijn zesduizend hemden op geen stukken na. Burgemeester Coenegracht kon er welgeteld 1718 overhandigen.

Een brief uit Vaals.

In Maastricht druppelden berichten van buiten maar spaarzaam de stad binnen. Maar het omgekeerde was ook het geval. De buitenwereld kreeg ook niets te horen van wat er allemaal in Maastricht gebeurde. En toch, in Vaals zat een jong meisje, juffrouw Van Panhuys, achter haar sierlijk bureau. Voorzichtig legde ze een velletje papier voor zich neer. Ze schoof haar stoel dichterbij om gemakkelijker te kunnen werken. Ze zou een brief aan haar broer in Den Haag gaan schrijven over al de wonderlijke en opwindende gebeurtenissen die de laatste dagen hadden plaats gevonden. Nadat ze eerst een nieuwe punt aan haar ganzeveer had gesneden, trok ze daarmee de eerste fraaie krulletters over het papier:

“Mon cher frère!” Natuurlijk schreef ze de brief in het Frans, dit was nu eenmaal de taal voor deftige mensen, wanneer ze elkaar schreven. Nederlands of iets anders was toen goed genoeg voor de gewone burger.

“Beste broer, het doet me toch zo’n groot plezier, dat ik je kan schrijven dat de oranjevlag hier van onze kerktoren in Vaals waait. We dragen ook allemaal een kokarde van die geliefde kleur”. Na deze regels dacht ze even na. Ja, dat zou ze ook aan haar broer schrijven over die gulzige kozakken. En weer ging de veer met sierlijke halen over het papier. “De Russen hier hebben zich netjes gedragen; er waren alleen klachten over hun grote gulzigheid. De mensen zijn blij dat ze van het Franse juk; ze waren de Fransen moe”.  Maar wat nu ging volgen, dat zou haar broer wel het meeste interesseren.  Nieuws over Maastricht!

‘Maastricht is nu helemaal ingesloten. Ons nichtje d’Emminghaus heeft een hoge gast in huis: generaal Merle. Eerst had ze willen vluchten, maar de generaal had haar gerust gesteld door te zeggen dat ze helemaal niet bang hoefde te zijn voor een beleg, want hij zou het toch niet lang kunnen volhouden, omdat hij aan alles gebrek had. En dat is ook zo. Twee dagen voordat de stad werd ingesloten, was ik nog in Maastricht. Met de verdediging was het daar inderdaad treurig gesteld. De Fransen hebben alleen maar ijzeren kanonnen – je weet wel dat goede kanonnen van brons moeten zijn, en er zou ook nog maar voor een week of drie voedsel zijn. Ik hoop, beste broer, dat God onze goede stad aan het vaderland en aan de man, die meer dan ooit onze beschermheer is geworden, zal teruggeven. Twee zware belegeringen zijn toch wel meer dag genoeg geweest”. Hiermee was de brief klaar. De jonge juffer nam de zandkoker en strooide fijn zand over de natte letters om ze af te vloeien. Uit het laatje van haar secretaire nam ze de rode stempellak. Met een kaarsvlammetje maakte ze de lak vloeibaar. Langzaam drupte de was op de dichtgevouwde brief en met haar gouden zegelring drukte ze haar zegel erin. Met een zucht van voldoening legde ze ganzeveer en lak weg. Haar broer zou wel blij zijn met het nieuws over zijn Maastricht. In Maastricht deed men alle moeite iets te weten te komen van wat er buiten de stad gebeurde. Kranten uit het bevrijde Luik werden op een slikse manier binnengesmokkeld. In de Grote Sociëteit op het Vrijthof werden die dan druk gelezen en over de inhoud lange twistgesprekken gehouden. Ook de Franse officieren deden daar ijverig aan mee, wat natuurlijk aanleiding gaf tot ruzie en gekrakeel onder elkaar.

Zo zaten op een winteravond een groepje militairen, waaronder de generaal zelf, samen met enkele hoge ambtenaren en Maastrichtenaars, gezellig rond het open haardvuur in de Grote Sociëteit aan het Vrijthof. Er waren juist weer wat gesmokkelde Luikse kranten aangekomen. Behaaglijk zuigend aan zijn lange pijp zat de generaal achter zijn krantje verscholen, het nieuws uit te spellen. Naast hem zat de directeur van de belastingen ook al verslonden in de laatste berichten. Opeens werd de gezellige rust wreed verstoord door opgewonden en hard gepraat uit de andere hoek van de zaal; “En ik zeg je dat ze al die vijandelijke kranten moeten verbranden!!” riep een ruziestem, “en de kerels die zo iets lezen moeten ze samen met hun prullen in het vuur gooien”.  Dat was klare taal!

Verstoord keken de generaal en de belastingdirecteur over hun krantje naar die herrieschopper. Wie was die brutale vent! Die brutale vent, een klerk van de belastingen, kreeg de schrik van zijn leven, toen hij ineens merkte dat zijn eigen baas ook achter zo’n krantje zat. “Nu is het genoeg”, riep de generaal boos. Hij stond op en griste

De blaadjes uit de handen van de lezers en van de tafel en gooide ze met een nijdig gebaar in het vuur. “Kastelein! Voortaan komt hier geen krant meer in huis zonder mijn verlof!

De gewone man, die geen gesmokkelde krantjes te pakken kon krijgen – hij kon ze trouwens meestal ook niet lezen- moest maar genoegen nemen met de berichtgeving die van de Franse kant kwam. Nu eens hadden de legers van Napoleon een grote overwinning behaald, dan weer waren er troepen uit het belegerde Hamburg onderweg om Maastricht te ontzetten. Van de Zweden, die sinds maart voor Maastricht lagen, vertelde men dat het de resten waren van een verslagen leger, dat hier maar wat in de buurt bleef rondhangen om de aftocht van hun eigen troepen over de Rijn te dekken. Met dit soort nieuws probeerde Merle er bij zijn mannen de moed in te houden. Maar zelfs de soldaten kregen al gauw genoeg van die praatjes. Onder het garnizoen begon een verslagen stemming te heersen. Kleine groepjes kameraden keken uit naar een kans om er tussenuit te knijpen. Ze waren de hele zaak beu.

Op een avond zaten in een herberg drie jonge soldaten op gedempte toon met elkaar te praten. Alle drie verlangden ze hevig naar huis. Ze overlegden samen hoe en wanneer ze zouden drossen. De oudste van de drie, een tamboer van twintig jaar, had al een ontsnappingsplan in elkaar gezet. Vanavond zodra het donker was, zouden ze met hun drieën naar de stadsmuur sluipen. Hij zou voorop gaan en een ander op de uitkijk staan om te waarschuwen als er onraad dreigde. Dan zou hij het koord van zijn trommel vast maken aan een struik of boom op de wal en zich zo langs de muur naar beneden laten zakken. Wanneer ze eenmaal in de “werken” waren, zo de rest van de vlucht niet zo moeilijk meer zijn. Op de afgesproken tijd kwamen de drie vrienden bij elkaar. Het hart klopte hun in de keel. Nog eventjes en ze zouden van de hele soldatenboel verlost zijn. Maar het plan mislukte helemaal. Juist toen de tamboer het koord had vastgemaakt, kwam plotseling uit de duisternis de schildwacht opdoemen en werden ze ingerekend. De volgende dag moesten ze voor de militaire rechtbank verschijnen. Daar hoorden ze hun vonnis: de dood met de kogel voor de tamboer; hij was de oudste van de drie. Zware gevangenisstraf voor de anderen.

Op 25 maart klonk tussen de muren van de “werken” een geweersalvo. Een jonge soldaat stortte neer ter aarde. Hij zou zijn land niet meer terug zien. Een naamloos graf ergens in de Maastrichtse vestingwerken werd zijn laatste rustplaats. Daarna liet generaal Merle de troepen aantreden en deelde hij hun de uitvoering van het vonnis mee. “Dit is een voorbeeld voor u allen”.  Wie nog aan desertie dacht, wist wat hem te wachten stond. De Maastrichtenaars geloofden natuurlijk niets van de Franse berichten. Behalve dan een klein groepje aanhangers van de Fransen, die onder hun bewind goede zaken hadden gedaan en benauwd waren voor de lieve duiten. Deplaie, die de onnozele praatjes ook niet erg vertrouwde, had er iets op gevonden om toch wat te weten te komen. Van tijd tot tijd klom hij met een kijker gewapend naar de hoogste zolder van zijn huis. Vanuit het dakraampje kon hij dan tot in Gronsveld kijken. Wat hij daar op een goede dag te zien kreeg, deed zijn hoop op een spoedige bevrijding stijgen. Bij de molen van dat dorp zag hij troepen marcheren. Ze waren gekleed in blauwe jassen en hun wapens kon je zien schitteren in de winterzon. Zouden dat misschien de gewapende boeren zijn, die te hulp waren geroepen bij het insluiten van de stad? In Maastricht werd al langer verteld dat de boeren uit de omliggende dorpen de zwakke belegeringstroepen hadden versterkt. De kozakken waren immers naar Noord-Frankrijk vertrokken. Daar was wel wat eigen belang bij, want de boeren hadden danig de schrik te pakken voor het plunderende Maastrichtse garnizoen.

Naor Bove

 Bron: Boek 'In Maastricht waait weer de Oranjevlag': Samengesteld door Br. Sigmund Tagage en Br. Winifred Ubachs iov Burgemeester en Wethouders der Gemeente Maastricht met de deskundige medewerking van Mr. Drs. H.H. Wouters. Drukkerij G. Walters en Zn. te Maastricht . ilustratie Groote Sociëteit Wikipedia, tekening vuurpeloton The Blot.

Aonvaank