Mestreech Vreuger

(Hoofdstuk 2 Maastricht in 1813)

 

Hier kunt u de eerdere Hoofdstukken lezen: Hoofdstuk 1 - Hoofdstuk 3 - Hoofdstuk 4 - Hoofdstuk 5 - Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 2: Maastricht in 1813 

Onderdrukt Europa jubelde; de klokken meldden de herwonnen vrijheid van stad tot stad.

Scheveningen, 30 november 1813.

De Prins van Oranje keert weer in het vrije Nederland. Maar in Maastricht drong deze blijde tijding nauwelijks door. De sat zou eerst nog de ellende van een Oorlogswinter moeten doorstaan, voordat ook hier de vlag van de vrijheid kon gehesen worden. Als een egel met opgezette stekels, zó lag Maastricht in een ring van vestingwerken.

Al zeer vroeg in de middeleeuwen waren de poorters van Maastricht bedacht geweest op hun veiligheid en op handhaving van hun vrijheid en rechten. Om de stad heen legden ze een forse muur aan van zware stenen. De toegangen tot de stad werden extra versterkt door machtige poortgebouwen met hoge torens, die door hun opeenstapeling van ruwe steenblokken er grimmig en weerbaar uitzagen, zoals men nu nog aan de Helpoort kan zien. Dat was de eerste muur. Het ging Maastricht voor de wind. Handel en nijverheid – vooral die van het beroemde Maastrichtse laken – vonden binnen en buiten de muren een veilig en rustig toevluchtsoord. Al spoedig werd het de bevolking te eng en te benauwd binnen het strakke keurslijf van de eerste muur.  In de veertiende eeuw werd een nieuwe omwalling gebouwd, waardoor de oppervlakte van de stad aanzienlijk werd uitgebreid.

Deze nieuwe muur lag – ruwweg genomen – langs de Franssensingel, Statensingel, Hertogsingel en Prins Bisschopsingel en is nu nog te zien in het Aldenhofpark en langs de Hertenkamp tot aan de vroegere , waar hij aansloot op de derde muur met de bastions “Haet ende Nijt”  en de “De Vijf Koppen”.

Ook Wijk kreeg zijn ommuring met poorten. De burger van Maastricht kon zich gerust voelen in zijn sterke stad, waar zijn uit hout en leem vervaardigde huizen weggedoken lagen achter de zware wal met zijn vele torens.

Door de uitvinding van het buskruit verloor de muur veel van zijn sterkte. De stadsbestuurders waren er dan ook op bedacht de versterkingen aan te passen bij de nieuwe toestand. Van de torens werden de spitsen gesloopt en de torens zelf werden volgestort met grond; daardoor ontstond er een platform voor de opstelling van de kanonnen. Tegen de muur zelf werd aan de binnenkant een aarden wal opgeworpen, zodat deze beter bestand zou zijn tegen het geweld van kanonvuur. Maar de kanonnen werden steeds groter en hun kracht en draagwijdte eveneens. De verdediging werd steeds meer naar voren geschoven om de vijand zo ver mogelijk van de hoofdmuur af te houden.

Tenslotte was de vesting zo ver uitgegroeid, dat de versterkingen wel in drie linies rondom de stad lagen. De knapste vestingbouwers, zoals de Fransman Vauban en Dumoulin ontwierpen de meest vernuftige verdedigingsstelsels. Onderaardse gangen werden aangelegd om de vijand te verhinderen de stad onder de grond te naderen en er mijnen te doen springen. De vesting Maastricht  leek wel haast onneembaar, als er tenminste genoeg troepen aanwezig waren. Zo verdiende Maastricht de naam van een van de sterkste vestingen van Europa te zijn, ook nog in 1813. Toen heersten hier twee mannen die door Napoleon waren aangesteld en die niet veel meer te doen hadden dan de bevelen op te volgen van de grote keizer. Voor de burgerij was dat Chrétien Coenegracht, de maire  (burgemeester) bijgestaan door de raad. Voor de militairen was dat generaal Merle. Met een zorgelijk gezicht inspecteerde Merle de verschillende verdedigingswerken. Er was een gebrek aan kruit en kogels. De magazijnen waren leeg. Ook waren er te weinig soldaten. “Twaalfduizend man heb ik nodig”, zei de generaal. Hij had er maar drieduizend. Bovendien werden de troepen geteisterd door besmettelijke ziekten. Generaal Merle begon aanstonds de vesting te versterken. Van alle kanten werden levensmiddelen naar stad gebracht. Soldaten trokken naar de bossen van Lanaken om bomen te kappen, die de verdediging zo hard nodig had om er palissaden van te maken. Huizen die buiten de vesting lagen werden afgebroken. Bomen en struiken voor de wallen werden gerooid om te voorkomen, dat de vijand er zich achter kon verschuilen. Terwijl Holland in feeststemming was over de herwonnen vrijheid, werd in Maastricht de staat van beleg afgekondigd  Voortaan zou Maire Coenegracht de bevelen moeten opvolgen van de militaire commandant.

De Blokkade van Maastricht 22 Jan – 4 Mei 1814.

Jean Deplaie stond achter de toonbank van zijn garen- en bandwinkel in de Hoogbrugstraat no.3, toen hij opeens de stem van de stadsomroeper hoorde verkondigen, dat op bevel van de generaal iedere burger verplicht was voor zes maanden voedsel in te slaan. Wie dit niet kon, moest de stad verlaten. Deplaie wist wat dit betekende: een belegering stond voor de deur. Wie weet wat dat voor ellende ging brengen. Het beleg van 1794 lag hem nog vers in het geheugen.  Met zijn vrouw sprak hij in de late avond over de bange toekomst. Zijn kinderen waren al naar bed. Buiten klonk de zware stap van de patrouillerende Franse nachtwacht door de vrieskoude nacht.

Toen kwam bij hem de gedachte op een dagboek voor zijn kinderen te schrijven  en daarin alles op te tekenen wat er met zijn geliefd Maastricht ging gebeuren in de spannende dagen die zouden volgen. Deplaie stond op en begon in zijn lessenaar te zoeken naar schrijfpapier. Met een draadje garen maakte hij er een soort schrift van. Maai was het wel niet, maar het kon gebruikt worden. Voortaan zou hij scherp opletten en alles neerschrijven wat hij te horen en te zien kreeg en in de stilte van de nacht bij het licht van een flakkerende kaars schreef hij met zijn ganzeveer de eerste regels neer:

Den 22 januari ’s namiddags zijn de poorten gesloten, dog zoo deed men de selve weeder open voor die er uit wilden gaan. Thussen den 22 en 26 lieten sig de vijandelijke troupes hier en daar zien en den 27 ’s avonds deed ons guarnisoen eene veld ontdekking tot buiten het dorp Heer bij welke geleegensheid den knegt van mijn swager Bronkars die de branderije waarneemt, nog dapper van onze soldaaten geslaage en gestooten is geworden, van hem meedeneemende sijn brood en booter, en van de andere boeren uit Heer en Schaarn alle hun spek en vlees; met een woord, alle het geene wat den soldaat pakken konden was prijs en buijt.

Die vijandelijke troepen waren de kozakken, dat vreemde ruitervolk uit het verre, onbekende Rusland. Overal bracht de komst van deze kerels in hun armelijke bruine uniform, gewapend met een piek en een koppel pistolen, grote ontsteltenis teweeg.

Ze gedroegen zich als schrikaanjagende wilden. Waar ze ook kwamen waren dieverij en dronkenschap aan de orde van de dag en maakten ze zich berucht door hun gulzigheid. De hele dag door was het niet anders als eten en drinken wat de klok sloeg. Tientallen jaren later zeiden de Limburgse mensen nog van een gulzigaard: ‘ Hij eet en drinkt als een kozak’ .
Al heel spoedig konden de Maastrichtenaars met eigen ogen een paar kozakken zien. Bij een uitval van de Franse troepen werden twee van deze mannen in volle wapenrusting op hun paarden als gevangenen de Tongersepoort binnengebracht.  Enkele dagen na het binnenbrengen van de twee kozakken begon het flink te sneeuwen. Door de jeugd werd de sneeuw met gejuich begroet. Ook Paul en Frits Deplaie hadden opgetogen hun sleetje tevoorschijn gehaald maar al heel gauw stonden ze weer met behuilde gezichten voor de winkeldeur. Een grote, barse soldaat had hen weggejaagd met de woorden: ‘ Maak je weg met die slee of moeten onze paarden de poten breken op jullie ijsbanen!’ . Daarna moesten de grote mensen op bevel van de generaal ijs gaan hakken op de straten en de sneeuw wegruimen voor de huizen.
Kleine zorgen voor de jeugd, grote zorgen voor de grote mensen. De pastoors van de stad zaten met het probleem, waar zij de doden moesten begraven. Het kerkhof lag buiten de Tongersepoort en omdat niemand de poort in of uit kon, was het niet meer te bereiken. Ten laatste werd beslist, dat de tuin van het oude kapucijnenklooster aan de Bogaardenstraat als begraafplaats zou worden gebruikt. Maar al heel gauw was die te klein, want van de soldaten stierven de mannen bij tientallen door besmettelijke ziekten, De toestanden in de hospitalen waren verschrikkelijk. De ziekenverzorgers, of wat daarvoor moest doorgaan, lieten de lijken onbegraven liggen. De lucht in de hospitalen werd daardoor totaal verpest. DE toestand werd op den duur zo erg, dat de generaal bang werd, dat hij over twee maanden geen soldaat meer over zou hebben. Zo had iedereen  zijn zorgen. Maar moeder Deplaie had nog wel de zwaarste. Als de jongens hongerig thuiskwamen, had ze maar te zorgen dat het eten op de tafel stond. Urenlang moest ze lopen en wachten om een beetje eten te pakken te krijgen. Samen met de andere moeders van Maastricht, arm of rijk, klaagde ze over deze dure tijd. Vlees was met geen geld te betalen. Af en toe wisten de boeren wat vee de stad binnen te smokkelen. Dat smokkelen  van koeien en schapen dwars door de linies van de blokkadetroepen heen was een avontuur op zich. Echt iets voor waaghalzen, die daarmee een goede cent wisten te verdienen.
In stille, maanloze nachten slopen de op winst beluste boeren behoedzaam de poort van de boerderij uit. Achter zich aan trokken ze een koe mee; de hoeven van het beest waren met doeken omwonden en de bek was met een touw dichtgesnoerd. Stil en zonder gerucht te maken slopen zij voort. Ondertussen luisterden ze scherp toe naar de stap van de wacht. Één van de mannen was naar voren gekropen en met zijn hand gaf hij een teken dat de baan vrij was: de schildwacht had zich omgekeerd. Dat was het gunstige ogenblik. Vliegensvlug moesten ze nu het open veld oversteken, dat voor de vesting lag. Als ze maar eenmaal buiten het bereik van de belegeraars waren , dan was de zaak veilig. In de buitenwerken bleven de boeren rustig wachten tot de wacht ’s morgens de poort voor hen open deed, waarna ze met hun smokkelvee de stad introkken. En ’s avonds slopen ze met een goedgevulde beurs weer door de vijandelijke linies terug naar huis. In de stad begon dan het touwtrekken voor wie de binnengesmokkelde beesten bestemd waren. De Franse generaal wilde ze houden voor zijn soldaten. Hij wilde trouwens nog meer dan alleen de binnengebrachte koeien. Alle rundvee dat nog in de stad aanwezig was, eiste hij op.

Burgemeester Coenegracht kreeg bevel op alle beesten beslag te leggen. Dat vond de burgemeester toch wel wat al te erg. Het vee dat in de stad was, had men hard nodig voor de melkvoorziening. Krachtig beet hij daarom ook van zich af en liet de generaal weten, dat er in de militaire magazijnen genoeg voorraad was. Wanneer er weer eens een paar kalveren binnengesmokkeld waren kon men een ware stormloop zien op het Vleeshuis in de Grote Staat. Een volslagen veldslag ontstond er dan tussen de huismoeders om een pondje vlees te kunnen bemachtigen. Wie het hardste duwde en schreeuwde, sleepte meestal wel een deel van de buit weg. Vader Deplaie zag wel de steeds dieper wordende zorgenrimpels van zijn vrouw, als ze weer eens terugkeerde van zo’n veldslag in het Vleeshuis.

Hij probeerde die weg te werken met het opwekkend gerucht, dat de Hollandse troepen voor Maastricht zouden zijn aangekomen. “Zie eens vrouw, spoedig komt de oude vrijheid terug en komen we weer onder het bestuur van de Prins van Oranje”. Maar van geruchten alleen kon ook Deplaie niet leven. Er kwamen nog maar weinig klanten in zijn winkel. De mensen hadden geen geld meer. De stad was uitgestorven en leek op een groot kerkhof. Alle handel en verkeer lag stil. Er werd zware armoe geleden, vooral in de gezinnen van de dagloners. Juist bij deze mensen, die geen spaarcenten hadden, klopte de nood het eerst aan de deur van hun armoedige krotwoningen in de slopjes en steegjes. Mannen die vroeger een mager loontje verdiend hadden  met sjouwersdiensten aan de Maas, slenterden nu doelloos door de stad of hingen moedeloos tegen de muren. Armoede overal. De ellende viel van hun gezichten af te lezen. “Mijn god hoe lang moet dit nog duren?” zuchtte Deplaie, wanneer hij uit de stad terugkwam en daar de tafereeltjes van armoe, honger en kou weer had gezien. En ’s nachts, als iedereen te ruste lag, hield menig arm gezin vol schrik de adem in, wanneer het in het steegje de ruwe stemmen van de marechaussees hoorde. Zou het hun vergaan als de buren, die midden in de nacht uit hun huis werden gehaald en de stad waren uitgejaagd?  Hun enige misdrijf was dat ze honger hadden en een stukje brood bedelden bij rijke mensen.
Hoor ! Daar klonken doffe slagen op de deur. Geschreeuw en getier in de koude winternacht en boven alles het gehuil van de kinderen, die in hun slaap gestoord werden.

Een zorgzame moederhand greep nog vlug een schamel dekentje en voort moesten ze door de donkere straten van de stad naar het Dinghuis, waar hun arme lotgenoten al zaten te wachten. In de vroege morgen werd de hele groep stakkers naar de poort gebracht en de stad uitgejaagd, het open veld in. Zonder dak en zonder voedsel zwierven ze rond door het land in de barre winterkou.

Naor Bove

 Bron: Boek 'In Maastricht waait weer de Oranjevlag': Samengesteld door Br. Sigmund Tagage en Br. Winifred Ubachs iov Burgemeester en Wethouders der Gemeente Maastricht met de deskundige medewerking van Mr. Drs. H.H. Wouters. Drukkerij G. Walters en Zn. te Maastricht . ilustratie oranje verzet is van boek Lotte Jensen, Verzet tegen Napoleon, Tekening landing Prins van Oranje, Nationale Bibliotheek, foto kozakken, wikipedia.

Hoofdstuk 1