Kestiel Borgharen

(Kasteel Borgharen)

 

Kestiel Borgharen in Borgharen

Beschrijving van het kasteel

Het huidige kasteel is een geheel omgracht complex met als middenvleugel een 17e-eeuws halfrond hoofdgebouw in barokke stijl, geflankeerd door twee vierkante torens. Op elk van deze torens sluit een lange zijgevel aan, gebruikt als dienstvleugel. De basis van het hoofdgebouw is een 12e-eeuwse vierkante woontoren met een in de 13e eeuw toegevoegde schildmuur. De onderbouw, kelders en de half ronde ringmuur gemaakt uit breuksteen zijn als restanten nog duidelijk herkenbaar in het huidige kasteel. Het hoofdgebouw kreeg in 1785 een met een mergelbekleding uitgevoerd classicistisch uiterlijk en werd voorzien van een hardstenen bordes met dubbele trap. In het balkonhek zijn de wapens van de families De Rosen en Van Buel verwerkt. De zware paviljoentorens en de lagere dienstvleugels zijn in Maaslandse renaissancestijl opgetrokken.

Een aantal kamers zijn in Lodewijk XVI-stijl ingericht; de ovale Blauwe kamer, de Roze Kamer als eetzaal, een Chinese kamer met schilderingen, een Chambre Romaine met pseudo-Pompeiaanse schilderingen en de grote salon met schilderingen van Pierre-Michel de Lovinfosse. Het sierstucwerk in de Chambre Romaine is waarschijnlijk van de hand van Petrus Nicolaas Gagini, die hierbij samenwerkte met de Maastrichtse architect Mathias Soiron. Verder is er een neogotisch ingerichte archiefkamer en een balustertrap in Lodewijk XV-stijl in de hal.

Bij het kasteel liggen een kasteelhoeve uit de late 17e eeuw en een neogotisch poortgebouw met helmdak en ronde traptoren, ontworpen door Pierre Cuypers. Rond het kasteel is een tuin in Engelse landschapsstijl, aangelegd in 1790. De brede gracht wordt gevoed door de Kanjelbeek.

Kasteel Borgharen is ontstaan uit een donjon, een vierkante, versterkte toren, wellicht al uit de 9e eeuw, de tijd van de Vikingen-invallen, na het uiteenvallen van het Karolingische Rijk van Karel de Grote. Onder de kastelen die Maastricht rijk is, is het kasteel van Borgharen het meest interessante, zowel als bouwkundig monument als door de rijke geschiedenis. Deze gaat terug tot de 12e eeuw. In de eerste eeuwen zijn er belegeringen  en verwoestingen brand, moord en doodslag, maar telkens herrees het slot op puinhopen. Het evoleerde gaandeweg van een grimmige, koude en tochtige middeleeuwse burcht tot een vriendelijke edelmanswoning aan de oever van de Maas. Intussen herbergde het gebouw als maar andere bewoners door verkoop en vererving. Adellijke en minder adellijke geslachten kwamen en gingen en telkens was er bij die geslachten wel een telg die er aan ver of bijbouwde. Uit het begin van deze eeuw dateert de ontboezeming van een onbekende auteur die schreef; ‘Van het kasteel Borgharen, op een eilandje gelegen en als verscholen in een omlijsting van groen en bloemen weet men niet wat men het mest moet bewonderen, die prachtige entourage dan wel de smaakvolle aanleg, de stijlvolle architectuur of de schone betimmering’.

Al mag er sindsdien het een en ander zijn veranderd, nog steeds staat het kasteel er als een statig en voornaam complex met torens en gewelfde kelders, waarin nog doodskisten van vroegere bewoners staan, met een slotgracht en een imposante ingangspartij met smeedijzeren hekken en een legendarische vluchtgang, die onder de Maas zou doorlopen. Ook zijn er schilderingen en is het stucwerk in het interieur imposant. Het zijn allemaal overblijfselen, die het gebouw voor een nuchtere 20ste eeuwer  interessant maken. Op meer dan een plaats komt het slot ter sprake in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Al heel vroeg wordt daarin verhaald van het drama dat er zich afspeelde in 1318. Deze versterking aan de Maas kwam al vroeg in het bezit van de heren van Valkenburg en vervulde een strategische functie ter bescherming van de westgrens van hun heerlijkheid. Zij benoemden de ridders van Haeren als hun leenmannen. Deze hieven namens de heren van Valkenburg tolgelden op de Maas.

(De familie Van Haeren had een hoog aanzien in de streek rondom Maastricht. In 1202 wordt het kasteel in een regest van het klooster Sint-Gerlach te Houthem vermeld. Het regest betrof Hendrik van Wassenberg (zoon van Hendrik III van Limburg) en diens zonen Goswinus van Haesdal en Adam van Haeren. Deze Adam van Haeren (ca. 1174-1244) was heer van Borgharen, voogd van Maastricht en voogd van de proosdij van Meerssen. Het verworven voogdijschap over Maasticht (vanaf 1194) kan verklaard worden uit het feit dat hij gehuwd was met de dochter van de vorige voogd van Maastricht, Gerard van Loon (1175-1194)).

Dit  zeer tot ongenoegen van de schippers en vissers die hun waren van en naar Maastricht vervoerden. Zwaarder en zwaarder werd deze tol, totdat de Maastrichtse machthebbers gehoor gaven aan de klachten en ingrepen. Prins-bischop Adolf van der Marck trok in persoon aan het hoofd van zijn troepen naar Borgharen, maakte zich door een krijgslist meester van de burcht en moordde de hele bevolking uit. Met uitzondering van een slimmerik die met een matras over het hoofd naar buiten wist te komen, roepende dat hij een bed naar de bisschop moest brengen. Men vindt het beschreven in de ‘Brabantse Yeesten’. In de 14e eeuw kwam tevens een einde aan de onafhankelijkheid van het Land van Valkenburg en werden de hertogen van Brabant de nieuwe eigenaren van Borgharen. Deze gaven het kasteel opnieuw in leen aan de familie Van Haeren nadat deze weer in genade waren aangenomen. De veestapel van kasteel Borgharen telde 28 koeien, 25 varkens en 10 biggen. In 1556 kocht de rentmeester 17 peren en 26 appelbomen.

De naam van de ridders van Haeren bleef verbonden aan Borgharen totdat een vrouwelijke erfgename huwde met ene Arnold van Hamal van Elderen, die in 1456 werd begraven in de Sint-Stefanuskerk te 's Herenelderen. Deze Arnold was bevriend met de hertog van Brabant en op zijn inspraak werd het riddergoed verheven tot een heerlijkheid. In 1483 werd het kasteel opnieuw verwoest.

naor bove

Door vererving kwam het kasteel in de 16e eeuw in bezit van de gereformeerde edelman Herman Scheiffart van Merode (zie Huis Merode). Na beëindiging van de Tachtigjarige Oorlog werd Borgharen aan de Verenigde Provinciën toebedeeld, als onderdeel van Staats-Valkenburg. De kerk van Borgharen werd protestants, ondanks protesten van de plaatselijke bevolking. Pas na het Beleg van Maastricht (1673) kregen de katholieke inwoners van Borgharen hun kerk terug.

In de 17e eeuw kwamen er ook weer nieuwe bewoners. De eerste was Philibert van Isendorn à Blois, die het kasteel in 1647 kocht van de militair Albert van Merode. Hij verbouwde het huis tot een renaissance kasteel zoals ongeveer tegelijkertijd gebeurde met de burchten in Eijsden, Gulpen en Hoensbroek. Het is vermoedelijk die verbouwing geweest die Philibert in geldzorgen bracht. Een lastige geldschieter darbij was Jan Vorsterman, peimeester ( betaalmeester) van Maastricht. Philiberts zoon, jonkheer Walter, sloot echter vriendschap met hem en dong naar de hand van zijn dochter Helena, die hij met geschenken overlaadde. Uit Den Haag liet hij bij voorbeeld ‘costelijcke kousenbanden en allerhande fraye linten’ komen en toen zij ziek was ‘costelijcke  confituren in schachtjes ingelegd’. Ook Helena’s zuster, die non was bij de Penitenten (waar nu de Sphinx (1978) staat) kreeg van hem o.a. ‘twee potten met pommade van jasmijn’ en een devotieboek.  Desondanks liep Walter een blauwtje en trouwde Helena met Jan Willem van der Heyden á Bilsia, die naderhand heer van Borgharen zou worden. De afgewezen minnaar stuurde toen aan de oude Vorsterman een onkostenrekening voor de gebrachte bezoeken en de geschenken.

Aan het geslacht Isendoorn bestaat nog een kostbare herinnering in een spelonk in een van de kasteelkelders. Bij een bezoek dat wij er onlangs brachten en waarbij de huidige (1978) bewoonster van het kasteel, mevrouw Veenhuizen, ons bereidwillig rondleidde, vonden wij temidden van een puinmassa twee open doodskisten, waarin nog resten van menselijke skeletten. Een kleiner kistje was leeg. Het moeten stoffelijke resten zijn van Philibert van Isendoorn met echtgenote en kind, die behorende tot de ‘gereformeerde religie’ niet in de katholieke dorpskerk begraven konden worden, waar destijds de katholieke  kasteelheren werden bijgezet. Ook de volgende heer van Borgharen, Blisia, drukte zijn stempel op het kasteel in de vorm van de monumentale trap in Lodewijk XV stijl in de vestibule. Op de overloop is de kasteeldeur te zien, waarachter een altaar verborgen staat dat zowel vanuit de hal, als vanaf de verdieping is te zien.

Het geslacht De Rosen, dat de Blisia’s opvolgt door overerving, zet de inwendige verfraaiing voort. Nu nog kunnen de woonvertrekken worden bewonderd. Ook hier overheerst de Lodewijk XV stijl. De grote salon in een van de torens, de Rode Zaal, de Chambre Romaine en de Blauwe of Ronde Kamer met de opvallende deuren zijn in dezelfde stijl ingericht. Het sierlijke poortgebouw, waardoor het complex kan worden betreden, vormt de slotfase van de bouwgeschiedenis.

Het is een schepping van de beroemde dr.P.Cuypers op het einde van de 19e eeuw. Het werd gebouwd in opdracht van de toenmalige eigenaar baron De Selijs de Longchamps die in 1911 overleed. Een kasteel met ruim 100 vertrekken bewonen en onderhouden brengt vergaande financiële consequenties met zich mee, die door een eenling niet of nauwelijks te dragen zijn . dat ondervond de heer De Cocq, die kasteel Borgharen in 1951 kocht via een Amsterdamse  makelaar. Zo lang hij het nog kon exploiteren als hotel en daarna als pension voor gastarbeiders, van de mijnen lukte het nog wel. Ook later kon het nog open blijven als onderkomen voor het Europahuis. Toen dit naar Bemelen verhuisde, kwam het kasteel leeg te staan. Begin dan maar eens, om slechts een voorbeeld te noemen aan het vernieuwen van het dak. En dat met geen andere tegemoetkoming dan de aansporing, het fraaie monument maar goed te conserveren en als cultuurgoed te behouden voor het nageslacht, waarbij dan een instantie als Monumentenzorg, de zorg niet nog eens uitdrukte in een enkele gulden

.

De Cocq gaf het dan ook op, maar ziet: in april van dit jaar kwamen helemaal uit Drente als nieuwe eigenaars de heer en mevrouw Veenhuizen. Zij werden verliefd op het lustslot aan de Maas en namen er hun intrek , tegelijk met hun antiekverzameling, die een deel van de vertrekken vult. In ‘Kastelen in Limburg’, verschenen in 1975, noteert de auteur, oud-archivaris De Win dat het ‘het huis Borgharen verkeert in redelijke staat’. Dat is op  één na de hoogste kwalificatie die de Stichting Kastelen toekent aan dergelijke gebouwen. Er zit dus nog perspectief in de onderneming van het sympathieke Drentse echtpaar, dat nu zetelt in een kasteel dat tot de fraaiste in den lande gerekend mag worden.

naor bove

Bron website: Limburgse Kastelen, Wikipedia, RHCLRijksmonumenten, DBNL Kasteel In Limburg,

Bron: historisch Encyclopedie Maastricht, Dr.Pierre Ubachs/Drs.Ingrid Evers. ISBN 90.5730.399.X, Maastrichtse Monumenten Taal, Fons van Hees CZ uitgeverij  Corrie Zelen ISBN 90-6280-583-3

Foto’s DBNL, Geheugen van Nederland, Luchtfoto's

eine terök