Geschiedenis:

Waterpoort De Reek
Waterpoort De Reek met sluis en beer, een poterne (17e eeuw?) alsmede een fragment van een waterkering (18e. eeuw?). Deze waterpoort stond ook bekend onder de naam 'den reke bij die Raemen'(1465) en 'Reeck op den Aldenhoff' (1501). De reek kreeg in 1486 een valhek en werd in 1550 uitgebreid met een stenen boog over de Jeker. De Flanktorens werden waarschijnlijk in 1552 verlaagd en gevuld met aarde om beter tegen het nieuwe geschut bestand te zijn. De poterne bij de waterpoort was bedoeld om ter plaatse ook in oorlogstijd de sluis te kunnen bedienen of  reparen. De oost toren van de waterpoort De Reek werd in 1959, na gedeeltelijk te zijn afgebroken, weer in de oorspronkelijke staat teruggebracht. De muur vanaf Waterpoort De Reek tot aan de brug aan de voormalige Pieterspoort werd gerestaureerd in de jaren 1987-1989.

Materiaal:

De poort de Reek, bestaat uit twee halfronde torens verbonden door een boog, waarboven muurwerk van baksteen. De oostelijke toren is geheel opgetrokken in Naamsche steen, afgedekt met een lijst van mergel (halfrond), waarboven baksteen, die door één band van mergel verlevendigd wordt. Aan de zuidwestzijde zijn twee bijna vierkante vullingen van baksteen als van twee boven elkaar geplaatste en slechts door een stuk Naamsche steen gescheiden schietgaten bij den derden toren op de westzijde; verder een vulling van kleine blokken calcaire. De westtoren van hetzelfde type, maar op een onderbouw van kolenzandsteen, heeft op het Zuiden en op het Zuid-westen een schietgat, het laatste echter gedicht; de middellijn der cirkelvormige opening bedraagt 33 c.M. In den hoek tegen den verbindingsmuur, aan de oostzijde van den toren dus, bevindt zich een poortje, terwijl schuin daarboven de hoek wordt afgesneden door een uitbouwsel op afgeschuinden kraagsteen.

'De toren vóór de waterpoort De Reek wordt de Quorijnustoren genoemd, naar een zekere Catharijn Quorijnus, die er een bordeel hield, totdat het stadsbestuur haar in 1536 opdracht gaf uit de stad te vertrekken'.