Ermood in Mestreech

Armoede in Maastricht in 1900

 

Ermood in Mestreech in 1900.

 

'Totse hunne rats mer zellefs vrete'.

Maastricht telde er rond 1900 zo'n vijfentwintig Armenhuizen.
Ze lagen aan het Lang en Klein Grachtje.
Per boog in de eerste stadsmuur een armenhuisje.
Als je geen inkomen had om een eenkamerwoning in een van de aftandse kazernes te huren of als je oud en gebrekkig was, kon je in een van de huisjes terecht.

Arm anno 1900.
De burgerschool, de voorbereiding voor HBS en gymnasium, bleef met twintig gulden schoolgeld onbereikbaar voor de massa van arbeiders en armen.
Was je pa een geschoolde arbeider en verdiende hij redelijk goed in een van de aardewerkfabrieken, kon je misschien naar de tussen school raison van tien cent per week.
Maar de massa van de arme kinderen kwam op een van de 'klompenscholen' in de binnenstad terecht die door de Broeders van de Beyart of de zusters Onder de Bogen geleid werden.
In de winter kreeg je erwtensoep, met sinterklaas 'n humme en een peperkoeken mannetje.

Armenwoningen, de klompen die de arme kinderen droegen, het waren net zo'n uiterlijke kenmerken van de paupers als de mutsen die de gamins op hadden hij hun eerste communie.
Als je arme ouders het zich konden veroorloven droeg je als communicant in je mooi pekske natuurlijk een bolhoed.
De jongens, die een muts droegen, hadden hun communiekleren van het armbestuur.
Soep kreeg je bijvoorbeeld bij de Momus Soepkokerij in het Heilig Geeststraatje vlakbij de Markt.


MŲmessop was een begrip in Maastricht.
Fons Olterdissen vertelt hoe arme Zjannet twee dames van de sjariteit in het steegje bij de Markt de huid vol scheldt.
"Totse hunne rats mer zellefs vrete" (dat ze hun prut maar zelf opeten), riep Zjannet de dames van de Charit toe.
De vrouwen waren niet gecharmeerd van het gedrag van deze opstandige cliŽnte.
De kans dat Zjannet nog brood- of soepkaarten zou krijgen, was vrijwel nihil.
De particuliere armenzorg - zeg maar de bijstand van 1900 - was in Maastricht wijd verbreid.
De gegoede dames en heren bezochten de armen met het notitieboekje in de hand.
De linnenkast ging open om te kijken of je wel 'recht' had op beddengoed.
De Vincentianen en de dames van de sjariteit deden natuurlijk ook aan zieltjes winnen voor de kerk.
Want het oude middeleeuwse adagium dat de rijke zonder de arme niet in de hemel kon komen, was anno 1900 nog gemeengoed.

Hoeveel armen Maastricht begin vorige eeuw telde, is moeilijk aan te geven.
Het Burgerlijk Armbestuur schatte rond 1913 dat zo'n veertig vijftig procent van de Maastrichtenaren wel eens op de bedelingslijsten stond.
Een op de tien Maastrichtenaren werd permanent ondersteund.
Waarschijnlijk zijn de cijfers overdreven, maar ze geven wel aan hoe triest de situatie in Maastricht was.
En dat in een tijdperk, de belle epoque van 1900-1914, waarin het de Maastrichtse bedrijven royaal voor de wind ging en er volop werk was.
Armoede leek wel onuitroeibaar in Maastricht.
Frans Marckx, de secretaris van het Burgerlijk Armbestuur, verzuchtte in 1887 - voor de enquÍtecommissie die onderzoek deed naar de (kinder)arbeid in de fabrieken - dat jonggetrouwden soms al een week na hun huwelijk bij het armbestuur aanklopten.
Bij het volk heerst de mening dat men recht op hulp heeft, klaagde Marckx.
Het 'schuim der groote steden', zoals de in 1878 overleden pottekeuning Petrus Regout de paupers genoemd had, klopte in Maastricht anno 1900 vooral aan bij het Burgerlijk Armbestuur.
Het armbestuur klaagde daar steen en been over.
Want de middelen ontbraken om de grote massa armen, zieken en bejaarden te helpen.
Onderscheid tussen arbeiders en armen bestond in de negentiende eeuw niet.
Pas rond 1900 brak in verlichte armenzorgkringen de opvatting door dat er een verschil bestond tussen een arbeider die werkloos werd en een arme, die niet kon of wilde werken en wiens (voor)ouders vaak ook al ondersteund werden door het armbestuur.
Als ze niet voldoende ondersteuning kregen, zochten de armen naar andere middelen van bestaan.
Zoals smokkelen.
De 'calculerende' arme was geen onbekend verschijnsel.
Kreeg hij geen ondersteuning bij het gemeentelijk armbestuur, klopte hij aan bij de kerkelijke of particuliere armenzorg.
De armenwet van 1912 moest daaraan een eind maken.
Maastricht had een jaar later de primeur van de Armenraad, waarin het Burgerlijk Armbestuur samenwerkte met de verenigingen en informatie uitgewisseld werd over cliŽnten.
De dubbelbedelingen waren daarmee zo goed als verleden tijd en ook het naar elkaar doorschuiven van bepaalde cliŽnten.

Naor Bove

Bron: Jan Schook via FB

Aonvaank